|
I
zoals we zaten aan je bed jouw hand in de onze, en wij hand in hand met elkaar wist ik dat we je nooit echt zouden verliezen
bonte bloesem zet bomen in brand jong gras lispelt jouw naam kijk wat mijn ogen voor je schrijven niet het afscheid telt maar het altijd samen blijven
..............................................................................................
II
dat het goed gaat dank je hoe vaak heb ik het al gezegd omdat iedereen zich omdraait als ik fluister: ‘k voel me slecht
lente zingt een lied van leven zomer jubelt: alles geven! herfst trekt andere kleren aan tijd om kleurig uit gaan
geef mij maar liever winter een stille wandeling aan zee golven rollen af en aan mijn tranen rollen rustig mee
..............................................................................................
III
doe geen moeite zoek mij niet ik ben allang verdwenen ik ben nog slechts wat overblijft de geur van nat beton het krijsen van de stenen
..............................................................................................
IV
maan zegt de vrouw en jij zegt maan roos zegt de vrouw en jij zegt roos vis zegt de vrouw en jij zegt vis
je bent achtendertig jaar weet wat verliezen is
..............................................................................................
V
De krant maakt het plaatje compleet: artikel, foto, autowrak. Omstandigheden kundig ontleed. Datum, plaats en naam vermeld. Maar wiens verhaal wordt er verteld?
..............................................................................................
VI
hoe moeilijk is het binnengaan in deze broedplaats van verdriet hoe groot mijn angst voor ongehoorde woorden hoe zorgvuldig mijn zwijgen hoe klankloos ons gesprek hoe leeg het vertrek
..............................................................................................
VII
stopt het dromen teruggespoelde tijd schok van erkenning de nieuwe werkelijkheid
..............................................................................................
VIII
en steeds maar herbeleven hoe waanzin over wegen walst snel, dronken, opgejaagd wie wordt vandaag ten dans gevraagd?
..............................................................................................
IX
huppelt naar school met nieuwe boekentas (eerste schooldag – fijn – vertellen hoe vakantie was) steekt de straat over heeft auto niet gezien
zoveel jaren later is hij nog altijd tien
..............................................................................................
X
gemis is niet in woorden te vatten ze namen niet enkel je jeugd maar in één klap ook alle jaren erna
verleden gewist toekomst weggemaaid
je staart naar een film van vroeger jij bent dat kind dat naar je zwaait
..............................................................................................
XI
dus: het is nacht straat, huis, tuin aanbellen hiervoor werd je opgeleid alles werd je uitgelegd de deur zwaait open niets krijg je gezegd
..............................................................................................
XII
hinderlaag
meisje van twaalf rood licht naast haar een vrachtwagen
..............................................................................................
XIII
ik kan niet op eigen benen maar wel op vier wielen ik kan sneller dan jij
ik ben bijzonder
..............................................................................................
XIV
het eerste uur is steeds het ergste wakker worden zonder en ik die keer op keer herhaal dat ik je nog eenmaal
..............................................................................................
XV
in het geloei van sirenes weerklinkt de klaagzang van verdriet
..............................................................................................
XVI
laten we doen alsof het niet zo is alsof dit lichaam niet van jou en deze onmacht niet van mij
..............................................................................................
XVII
en zo dichtbij er bijna niet geweest staat hij weer op de blik vol overwinningsfeest
..............................................................................................
XVIII
dit is niet waar hier wordt niet getreurd dit moment is niet echt dit is niet gebeurd
..............................................................................................
XIX
beste,
alles kreeg ik terugbetaald haar fiets, haar kleding, zelfs het kettinkje rond haar nek maar mag ik toch nog vragen: hoeveel kost de lege plek?
..............................................................................................
XX
toen geloofde je nog dat sprookjes
zwart en wit prins en smid krom en recht goed en slecht
verhalen waren waarin jij niet leefde
je lachte, schaterde als je wou de toekomst was alleen van jou
nu lig je in je kleine bed met in je blik kapotte dromen
sprookjes zijn realiteit de wolf is echt gekomen
..............................................................................................
XXI
‘Het geluk!’ roep je.
Je beschildert je gezicht met vrolijkheid en tovert sterren in de ogen van een kind.
Van alle kanten klinken stemmetjes: ‘Nog eens! Nog eens!’
Een magiër, dat ben je. Een moderne sjamaan.
Jouw trucs vergeten ze nooit meer. Altijd zul je voor hen staan.
..............................................................................................
XXII
Hoelang kun je niet bewegen? Speel je een spel? Is dit een van je zotte streken?
Je weigerde te spreken. Mimespeler in een stil vaarwel.
..............................................................................................
XXIII
dag vader, dag moeder ik moet naar de klas zorg goed voor mijn diertjes voor drank en voor gras
je woorden verraden wie je was
als straks de zon de aarde kust - het avondlicht de hitte sust - ben je weer even heel dichtbij
dan kijken je ouders naar de wolken en koesteren wat je zei
..............................................................................................
XXIV
Thomas tekent:
een vrolijke ziekenwagen een lachende jongen in een graf een mama zonder hoofd die bloemen giet
hij schetst wat pijn is, kleurt verdriet
zijn broer is weg dat vat hij niet
..............................................................................................
XXV
onschuld
in rood in rood in barensrood scheurt zij zo open dat ze zichzelf weer als klein meisje ziet lopen
in flanders fields the puppets grow in bloed en slijm en pijn
en uit haar krijsen uit haar geschreeuw van buiten zinnen ontstaat een eeuwenoud verhaal van altijd herbeminnen
..............................................................................................
XXVI
zoals hij plots ter wereld kwam: een zee, een wee en aangespoeld (wat werd hiermee bedoeld?)
ging hij ook op weg heftig zoeken gulzig wroeten grenzen doen vervagen
en nooit een antwoord op zijn vragen
..............................................................................................
XXVII
wat niet mocht daar heeft hij altijd naar gezocht het onbekende hield belofte in
dus:
er was eens een boom en aan die boom een vrucht
(gevolgd door een diepe zucht)
..............................................................................................
XXVIII
de perkamenten handen van de oude man spreken boekdelen als hij trots vergeelde schoolschriften doorbladert, zijn jeugd nogmaals overlevend
met pretlichtjes in de ogen zweefvlindert hij door het verleden huppelt in gedachten naar school met een vergeten naam dicht tegen zich aangedrukt
hij is pas weer dertien geworden
..............................................................................................
XXIX
komt binnen in de geur van kleuterklas man van vijf die hij toen al was
(valt zichzelf een kapotte knie een broek met korte pijpen - bloed - maar juf is warm en zoet)
aarzelt bij het belsignaal wil hier nog even blijven spoelt dan de tijd vooruit gaat over wonden schrijven
..............................................................................................
XXX
flink zijn, moet ze niemand vertellen wat er is gebeurd niet denken aan zijn handen de brute beestengeur
en ’s nachts de deur op slot, en onder de dekens zacht haar naam en steeds weer wakker worden van wolven voor het raam
..............................................................................................
XXXI
het waren de ogen van het kind op haar schoot of de manier waarop zij de angst eruit wilde weren
hoe zij daar weggedrumd zat in haar hoekje menselijk leed zachtjes vertellend over een treintje dat zuchtend naar Treblinka reed
..............................................................................................
XXXII
Onvolbouwde vrouwtjes Bemachtigen de touwtjes Van heel verlegen ventjes Hun kleine pubertentjes
..............................................................................................
XXXIII
Je bh vloog als een parachuutje door de lucht Wat later ik In vogelvlucht
..............................................................................................
XXXIV
Ondanks mij: wij Nu meer dan vijftien jaar (Onze lichamen twee vormen Die juichend passen in elkaar)
Bij jou wil ik enkel maar bij jou.
Daarom liefste Hou me vast Blinddoek me
Straks vangt mijn blik weer andere ogen En doet ons bed Jou denken aan bedrogen
..............................................................................................
XXXV
het leek zo volmaakt wij waren mekaar
of ik was jou en jij bleef jezelf
toen je wegging was ik me kwijt
niemand heeft me teruggevonden
..............................................................................................
XXXVI
Hij zingt liedjes Over vrijheid en gevoel Zij slaat verbitterd De kookpan op z’n smoel
..............................................................................................
XXXVII
omdat je me zei dat je - mocht je alles overdoen – opnieuw voor mij zou kiezen
mét enkele opties
daarom zie ik je graag
|